Edgar Cairo interview

 

'Ik geef mijn mond het woord te eten’ is een portret van Edgar Cairo, gemaakt door Jan Venema in NOS Beeldspraak in 1980. Cairo was 32 jaar en hij is te zien op het toppunt van zijn creativiteit: begeesterd romanschrijver, dichter, theatermaker, columnist, performer, schrijft In de Knipscheer.

Hieronder een bewerkt transcript van het deel waarin Cairo wordt geïnterviewd in de video. Als experiment is het transcript ook herschreven door ChatGTP, met als opdracht de tekst, die veel Surinaamse taalelementen bevat, te herschrijven in hedendaags Nederlands.  

Interview Edgar Cairo


Stem interviewer: De taal is het meest wezenlijke en karakteristieke element van cultuur. We zijn erdoor verbonden met elkaar en als koloniale machthebbers hebben wij Nederlanders om te kunnen delen om te kunnen heersen de taal die mensen in die andere tropische landen verbond, stelselmatig ontkent. Om je eigen taal op te dringen, aan een ander volk, dat heet cultureel kolonialisme.

Cairo:
Het woord is voor mij iets waar ik van leef. Ik geef mijn mond het woord te vreten en het is iets nogmaals waar ik mee leef.  Het is een deel van me, het is mijn uitdrukkingsmogelijkheid en gezien het feit dat Cairo in Suriname is geboren en gegroeid en daar die die Surinaamse taal als moedertaal heeft, gebruik ik Surinaamse taal, wel met dat Nederlands waar het contact mee heeft.

 En ik wil eigenlijk niet eens zeggen dat het botst, het bokst.  Ik wil eigenlijk zeggen dat Nederlands die taal heeft knock-out geslagen. Daar is die grote jam, die grote tackle.

Stem interviewer: Hoe bedoel je, knock-out geslagen?

Nou je weet eerst, we waren slaven, we mochten niet lezen, niet schrijven. Later mochten we de Negerbijbel leren, dat 'torie fu Judas'. En horen dat we zonen waren van Cham. En veel later toen moesten we blank worden, dus moesten we geschoold worden naar West-Europees model.

Ik zei altijd, volgens de Nederlandse exportnorm moesten we een aantal witmakers ondergaan. Het klinkt een beetje hard, cru, maar wij in Suriname moesten - eigenlijk terecht - een beetje ontwikkeling hebben. Maar nu komt het, we moesten een getrouwe kopie worden van Holland, dus we moesten ook praten met de Hollandse mond.

Ik hoor nog op de middelbare school dat die leraar - ik ga zijn naam niet noemen -  dat hij gezegd heeft: "Taal? Jullie hebben geen taal, dat ding is taki taki. En wat krijg je, dat die mensen dat begonnen geloven ook. Totdat, volgens moderne inzichten en allang volgens ons gevoel, wij ontdekten dat we een taal hadden. Ja, we 'talk en toe' en we praten het ook met een volledige grammatica. En een taal die zich zo ongeveer vanaf 1651 heeft kunnen ontwikkelen.

Alleen, en nu komt het, dat zelfrespect van ons is zo geknakt geweest dat we hebben niet willen geloven dat we een taal hebben; neger had geen cultuur. En ook door die koloniale situatie hebben anderen geleerd, maar wacht even die taal mag niet meetellen.  Die culturele identiteit gaat verloren. Waarom? Omdat je door Nederlandse praten op een Europese manier, met een rollende tong zeg ik dan op zijn Europees, dan ga je een andere denkwijze ontwikkelen. Dus je denkwijze wordt anders.

Maar ook ga je dus een heel andere ontwikkeling krijgen in die taal. Dus met die grammatica en woordenschat ga je een heel andere ontwikkeling krijgen. Op zich is een ontwikkeling  niet verkeerd. Maar nogmaals, die talen die we daar thuis hebben gesproken, die hebben geen echte kans om tot ontwikkeling te komen

Je hebt ook taal als expressiemiddel, zeggen wat je voelt, wat je denkt. Persoonlijk als kind van een stuk, noem het spijtgeschiedenis die we hebben. Die koloniale geschiedenis, dat stukje wat we delen met Holland.

Stem interviewer: Die spijtgeschiedenis Het lijkt wel door je hele werk heen alsof dat langzaam een obsessie voor je aan het worden is. Schrijf je jezelf in een obsessie of probeer je jezelf uit je obsessie te schrijven?

Cairo:
Je laat mensen lachen, weet je waarom. Omdat een obsessie is een obsessie. Je hebt het, of je hebt het niet. Ik geloof niet dat je kan praten over obsessie. Ik denk dat je bij Cairo eerder kan praten van iets wat misschien een beetje terugkeert. Steeds dat gevoel dat we in een verliezende positie zitten, hebben gezeten en misschien nog een beetje zullen gaan zitten als we niet blijven vechten elke keer als we onze stem niet laten horen.

En dan kan je moeilijk gaan praten van, ik dacht accepteren het niet. Maar ik zeg gewoon, luister, voor wie wil horen, die moet horen. Wij hebben iets te zeggen. Ik heb persoonlijk, ik word steeds geconfronteerd als Surinamer in Nederland met die gevolgen van dat kolonialisme. En toevallig ben ik iemand die me professioneel kan bezighouden met dat ding. En ik doe het, en ik zeg het, en ik zeg het steeds op een andere manier, op een creatieve manier die een weg moet geven, een weg moet maken. Als het ware door die denkbeeldige rimboe die hier is, toch nog. Moeten we weg zoeken. Dat is het, Cairo schept een weg en hij probeert anderen die weg aan te wezen en voor zichzelf een weg te zoeken. Want op de eerste plaats is zeggen met het woord is toch proberen te overleven een stukje toekomst uitdieken.

Ik praat gewoon Surinaams en ik schrijf het. En ik geloof dat ik het ook een beetje goed schrijf. Voor veel mensen, die hebben dat niet. Die hebben die scholing niet. Vergeet niet, ze willen wel, maar ze hebben die scholing niet. En ook als je je moedertaal praat - en dan blijf ik even bij Sranang -  maar je hebt dus Indianen van Javanen heb je ook moedertalen, dus de taal die ze van huis uit hebben.

Wat voor situatie heb je - even daar in Suriname -  dat als iemand zijn moedertaal niet goed kan spreken, dan heeft hij geen schaamte daarover. Hij schaamt zich dus niet, maar hij schaamt zich wel als hij één foutje in een heel betoog maakt met Nederlands. Als hij per ongeluk 'die boek' zegt in plaats van 'dat boek'.  

Die hele top, die praat volmaakt Hollands, zij zijn geschoold. Maar die volkscultuur is systematisch genegeerd, afgebroken. En nou kom ik op dat begin wat ik je hebt gezegd: we hadden geen taal toch, we hadden geen cultuur en met name, want ik ben neger,  want wij negers hadden, dat was dat was je ‘figi foetoe-cultuur’, negerscultuur. Laat mensen niet lachen.

Stem interviewer: Cairo is een geboren vernieuwer, hij gebruikt wat hij heeft meegekregen aan taal en ervaring op een geheel eigen manier om aan de steeds

Cairo:
Dan zeg ik je hebt ook een stukje verantwoordelijkheid als schrijver om je mensen iets terug gegeven van wat zo vergooid is. Ik kan gewoon niet zien dat hele rijkdommen aan taal, aan voelen, aan denken zijn gegooid. Soms vergooid. Soms denk ik zelfs verminkt. Het klinkt een beetje, net een beetje tegen die rand van wat je kan zeggen aan…

als je vroeger hebt geleerd, als je lacht, hahaha, doe niet zo verneger. Of je had negerhuismanieren, in tegenstelling tot 'bakra oso-manieren. Hollanders, want die hadden alles mooi. Die hadden alles netjes, die woonde in mooie huizen, die hadden cultuur.  Begrijp je dat ding nu, waarom Cairo iets te zeggen heeft over die tijd en waarom hij gaat dieken en dieken, en graven dus totdat hij alles eruit heeft. Begrijp je het nu

 Nederlanders zeg ik dan hebben we niet dat euvel, die 'hebie' dat ze zijn opgegroeid in een koloniale situatie en dat ze als maar één ding hebben geleerd - behalve dan de Rijn komt ons als land binnen bij lobith, niet bij de Franse rivier Marowijne. Ze hebben maar één ding geleerd: blanke cultuur, ik kan het niet anders zeggen sorry, blanke cultuur is betere cultuur, is beste cultuur. En iedereen die een blanke na-aapt, die doet iets waarvoor hij zich niet hoeft te schamen. Maar als je dus je eigen dinges doet, dan is het op zijn minst bedenkelijk.

Als je 25 jaar lang, je hebt een kind gemaakt. Je hebt het getrapt, je hebt het niet te vreten gegeven, je hebt het verminkt en dan zeg je opeens: kijk dit is dat kindje, hier is mijn kind, ik ben trots op dat kind. Met andere woorden wanneer je letterlijk bijna, nu ga ik het zwaar overdrijven, je neemt een tang en je trekt iemand zijn tanden eruit, en je zegt, je moet zo gaan praten, zo moet je je klinkers vormen, enzovoort enzovoort. En op het laatst praat iemand met een kromme mond en dan zeg je van: “Kijk ..” .

Maar wel wil ik keihard, ja keihard en hardop blijven zeggen wat ik voel als mens van binnen, omdat ik ook denk dat voor de wereld, voor Surinamers en van Nederlanders, je een visie een blik, een oogwerpte kan krijgen in dat hoofd van die Surinamer als iets als iemand met een ‘jeje’, een ‘kra’, een geest, een historische ontwikkeling, dan kan je zeggen, ik ken die mens beter.

Stem interviewer: wat voor de eigenwaarde en de eigen identiteit van de Vlamingen en de Vlaamse taal Felix Timmermans heeft gedaan in het Nederlands taalgebied dat doet nu het Cairo in een onwaarschijnlijke productie van poëzie romans en krantenartikelen maar ook toneel voor de Surinaamse taal voor Suriname en voor Nederland

Als we hier nieuwe mensen worden, so what. En nu komt Cairo's belangrijke punt. Ook met al die vragen die je gesteld hebt, obsessie of wat dan ook, isolement. Cairo werkt vanuit het nu met wat hij heeft gekregen, 'sa mi oso yi mi', wat ik van toen mee heb, van thuis. En ik bezoek die wereld wel om te leren kennen en herkennen, en dat draag ik mee in deze maatschappij en ik wil het als volledige en als volwaardige Surinamer meedragen en het moet bekend worden en herkent ook en geaccepteerd. Op basis van mijn mens-zijn en mijn volwaardigheid ga ik om met die cultuur van Nederland. En dan pas kom ik op die basis van cultuurdialoog en cultuuruitwisseling.

Maar verwacht niet dat ik mijn mond ga houden en dat ik ga zitten en niet zeggen wat mij scheelt. En dat ik dan, als ik het dus met scherpte zeg, dat er dan gezegd wordt van, kijk wat Cairo doet. Kijk isolement, enzovoort, wat jij toen hebt gevraagd.

Nieuwer Ouder