De fûke van Eddy Bruma: een verhaal bij 50 jaar Surinaamse onafhankelijkheid
![]() |
| Cover van het Friese literaire tijdschrift De Tsjerne |
De fûke (oftewel De Fuik) is een kort verhaal van de Surinaamse politicus en schrijver Eddy Bruma (1925–2000), dat in 1952 verscheen in het Friese literaire tijdschrift De Tsjerne. In het verhaal volgt de lezer Omke Safrie, een oudere man in Coronie, Suriname, die machteloos toeziet hoe droogte, armoede en het vertrek van jongeren zijn gemeenschap langzaam onder druk zetten. De titel verwijst naar een Surinaams spreekwoord: “Vissen ontsnappen aan de fuik, maar nog niet aan hun dood.”
In het kader van 50 jaar Surinaamse onafhankelijkheid herinnert De fûke eraan dat zelfstandigheid niet alleen een politieke gebeurtenis is, maar ook een menselijke ervaring, gevormd door twijfel, verlies, verantwoordelijkheid en hoop.
Eddy Bruma was een invloedrijke Surinaamse intellectueel. Als jurist, schrijver en later politicus speelde hij een centrale rol in de culturele en politieke bewustwording die uiteindelijk leidde tot de onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Hij was een van de drijvende krachten achter de beweging Wie Eegie Sanie, die het culturele bewustzijn van Surinamers versterkte en aandacht vroeg voor de eigen taal, geschiedenis en identiteit.
De hier gepresenteerde Nederlandse tekst is een AI-vertaling, gebaseerd op de Friese versie van het verhaal, die werd vertaald door D.A. Tamminga. Opmerkelijk is dat De fûke niet in het Nederlands of Sranantongo verscheen, maar in het Fries. Tijdens zijn studietijd in Nederland raakte Bruma nauw betrokken bij de Friese taal- en cultuurbeweging. Hij herkende in de positie van het Fries als minderheidstaal duidelijke parallellen met de koloniale en culturele situatie van Suriname.
Korte samenvatting - De fûke (De fuik)
De fûke speelt zich af op het platteland van Coronie, waar een verwoestende droogte heerst. Hoofdpersoon is Omke Safrie, een oude boer die geldt als moreel en geestelijk leider van zijn gemeenschap. Hij bewaakt de tradities, houdt de kennis van de voorouders levend en waarschuwt zijn dorpsgenoten voor de invloed van de stad en van blanke handelaren, die met mooie beloften het land proberen op te kopen.Door de aanhoudende droogte en armoede raakt Safrie zijn grip op de gemeenschap kwijt. Jongeren verkopen hun grond en vertrekken naar de stad, in de hoop op een beter leven. Safrie weet dat dit het einde van het dorp betekent: zonder mensen zal het land worden ontbost en vernietigd. Tegelijk ziet hij hoe de ouderen zich terugtrekken in een passief geloof, hun lot volledig aan God overlaten en de zorg voor de toekomst loslaten.
In zijn wanhoop keert Safrie zich openlijk tegen God. Hij vraagt waarom zijn volk, dat al zo zwaar heeft geleden onder slavernij en uitbuiting, opnieuw wordt getroffen. Hij wacht op een antwoord — maar God zwijgt.
Het verhaal eindigt bitter en pijnlijk. Safrie ziet hoe Joewan, de jongen in wie hij zijn opvolger zag en aan wie hij zijn kennis wilde doorgeven, definitief vertrekt. Met Joewans vertrek verdwijnt niet alleen de hoop op continuïteit, maar ook Safries geloof dat zijn strijd nog zin heeft. De fûke toont zo een gemeenschap die gevangen raakt tussen natuurgeweld, economische uitbuiting, geloof en verlies — als vissen die aan de fuik ontsnappen, maar niet aan hun lot.
De originele Friese tekst van De fûke, zoals gepubliceerd in De Tsjerne, is te raadplegen via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL): dbnl.org . De onderstaande tekst is met AI vertaald.
De fûke (De fuik)
Maar Oom Safrie geloofde niet dat er een druppel regenwater zou vallen. In het zestigste jaar van zijn leven mocht het hem maar één keer heugen, dat Coronie zo droog was. Als hij dacht aan de armoede die zij leden op de grond, die de voorvaderen hen nalieten, kwamen hem de tranen in de ogen. Dan, zonder dat hij ervoor kon, kreeg hij het kippenvel en deed de handen samen om te bidden; een gebed in zijn hart, een gebed dat Heer God alleen horen kon en verstaan.
Toen - plotseling - brak de lucht boven de parwabossen uit in vuur in de duisternis van de avond. Lange rode slangen wilden het Godsland aanvallen, net alsof de bosnimfen de gek hadden met God. Oom Safrie weende. Zijn zwarte hand liet de pijpensteel los en wees in het duister waar zwarte rook zich vermengde met het rood van de vlam en werd als gestold bloed.
'Kijk, armzaligen, kijk hoe God terugneemt al wat Hij gaf! Kijk, hoe Hij het bos in vlam zette en verbrandde het ene stuk na het andere'.
Zijn stem trilde terwijl hij zei: 'Coronianen! Voorbij is de wereld! En de landbouwgronden die onze voorouders voor ons behielden, zullen gezocht worden voor alle andere landbouwgronden! Weken lang al, bij dag en bij nacht, kan men zien hoe ons bos verkoolt. Het vee en onze kinderen, de zon benevelt haar! Wat komt over ons? In de Boven-Coronie, in de Onder-Coronie, in alle plaatsen is hetzelfde gebed: water, water, geef ons water, Heer! Welke vloek, welke bezoekng komt over ons land?'
Een grote donkere rookwolk steeg uit zijn pijp en bedekte zijn gelaat. Avondtijd was gevallen. Het duister was dichter geworden, maar zij konden elkaar nog zien. Alhoewel zij niet helder meer zien konden hoe zijn trekken waren, toch begrepen zij dat Oom Safrie moeilijk was. Zij wisten dat alleen een gebroken hart maakte dat hij zich zo uitte. Zij kenden Oom Safrie. Zolang hun geheugen terugging, leefde hij tussen hen met zijn vrouw. Zij leerden hem hoogachten en geen dam werd verhoogd, geen bergschuur gebouwd, zonder dat zij hem vroegen hoe zij het werk op de beste manier doen konden.
Vraag wie je wilde in Novar naar Oom Safrie, kinderen en volwassenen, en zij zullen je vertellen dat ze van hem houden. Sommigen van hen weten zelfs niet dat zijn ware naam niet Safrie is, maar dat de Coronianen hem die gaven, omdat Oom Safrie niet van rimpelingen hield en gevolgelijk ook niet van gerimpelde mensen.
Oom Safrie was nooit haastig. Hij nam de tijd om te denken, de tijd om te doen en de tijd om wat te zeggen. Dat zodoende gaf niemand van de drie mensen die met hem op de dam stonden onraad, toen hij zijn hart uitstortte. Zij wisten wat een verdriet hij ervan had de mond open te doen, dat alle gedachten die hem benauwen een uitweg konden vinden. Hij praatte niet tegen hèn. Besef had hij er helemaal geen meer van dat zij ook op de dam stonden. Zij verstonden dat zijn klacht een gebed was om krachten te krijgen. En dat zijn woorden tranen waren.
'Oom Safrie, hoor mijn verhaal!'
De vrouw zei het toen zij een poosje gestaan hadden zonder een woord. Haar stem was zacht en zoet in de diepe nacht, dat de mannen voelden hoe een soort blijdschap hen over de leden ging.
'Oom Safrie! Hoort u mij? Hoort u mij, Oom Safrie? Wij willen u wat vragen, ik en Lodie. Ik en Lodie willen u wat zeggen, Oom Safrie....!'
Als zij nog wat zachter gepraat had, dan had niemand horen kunnen wat zij zei. Een moment zelfs dachten de beide mannen die dichtbij haar waren dat Oom Safrie haar niet hoorde; hij zoog zo erg aan zijn pijp dat de steel leek wel een rokende schoorsteen, twee, drie keer.
Toen keerde hij zich om en begon langzaam de dam over te lopen naar de voorkant toe. De anderen kwamen achter hem aan; zo liepen zij onder de kokospalmen door als zwarte geesten. Elk van hen in diepe studie weg.
'Oom Safrie', begon de vrouw weer. Toen, terwijl hij zich omdraaide en aan zijn pijp zoog dat een stukje vuur zijn oude gezicht verlichtte, zei zij haastig:
'Oom, weet u wel dat Joewan naar stad toe wil? Ik en Lodie zijn onze raad ten einde!'
Alsof een dolkmes hem getroffen had stond Oom Safrie stil. Zijn pijp viel op de dam, maar hij stak geen voet uit om hem op te rapen. Als een stenen beeld stond hij en het was of iemand hem de keel toekneep toen hij vroeg:
'Joewan, zei je? Joewan?'
'Ja, Oom Safrie, Joewan! Dagen tevoren al wilde ik het tegen u zeggen, maar ik wist niet hoe. Joewan zegt dat hij weggaat. Hij is boos van dit leven, Oom Safrie!'
Oom Safrie zuchtte. Hij verwachtte al zoiets. Hij was daar al lang bang voor geweest.
Een jaar voordat de droogte begon lag er een soort van spanning over heel Coronie. Op een dag was er een auto naar Coronie gekomen die een geklede stadsman meebracht naar de plantage. Zij wisten niet wie het was, maar op een ochtend vroeg en vroeg zat Oom Safrie op zijn eigen wagen en ging naar Totness om zijn watervaten in het Kanaal vol te doen. Want net zoals alle andere Coronianen placht hij water te halen uit het Kanaal om de kokoskoeken voor zijn varkens te weken en 's morgens zijn olie te koken voordat hij ging planten. Nou dan, die dag waren zijn watervaten op de wagen geladen en die denderen en rammelenn maar heen en weer. Net was hij de oude kokosvelden van Djanie voorbij of hij ziet een grote groep mensen op de weg staan.
'Nou, nou', dacht hij, terwijl hij de os aan de staart prikte om hem wat aan te sporen tot harder lopen. 'Nou, nou! Wat is er te zien met die mensen? Hoe komt het dat die luilakken zo vroeg in de morgen buitendeur zijn en gaan als vliegen op de rijksweg staan? Die negers, het zijn mij de mensen ook wel, sjudder!'
Langzaam trok hij de teugels aan toen hij bij zijn voetvolk kwam. De os zette nog een stap en toen stond hij stil. Oom Safrie stak de pijp aan; hij zat op de wagen en nam de mannen en vrouwen eens op die om een kokospalm heen stonden. Hij kon haar allemaal. Zuster Winter die nooit ontbrak als er wat te zien was. En Fedie van Broer Teto, die bij zijn vrouw weg was om een jongevrouw uit de stad; en Jakie die een buffel geschoten had in de bossen van Coronie een paar jaar geleden; en Jeanne-mooi en Louis van Clyde en Dofie, die altijd een ander stevig woord te snakken had; en al die anderen wiens navelstreng in Novar begraven lag.
Dan ziet Dofie hem op de wagen en maakt zich los uit de menigte terwijl hij roept: 'Nou, nou, kijk eens wie daar is! Oom Safrie!' Zij draaiden zich allemaal om en zagen.
'Oom, ziet u dat? Hoeveel mensen daar tezamen rond zijn om te lezen wat de Commissaris weer voor ons aangeplakt willen heeft? Kom eens van de wagen en heb nieuwsgierigheid als wij! Draag maar niet, dat het u niet interesseert om te weten wat erop staat!'
Oom Safrie kon nog goed voor zich krijgen hoe hij hem antwoord gegeven had: 'Luister eens, Dofie, ik vraag je in godsnaam: bind je in! Zie je niet, dat jouw huid zijn hele bestaan heet ligt vanwege de ruzie, jij blanke-achtige?'
Hij had hem uitgemaakt voor blanke-achtige, niet omdat Dofie lichter van kleur was dan hijzelf, maar omdat alle mensen die brutaal waren, die niet zelf werkten maar over anderen de baas speelden, die dronken, rookten en pronkten met het geld waar anderen voor krom lagen, op blanken leken.
Dat dacht hij. En naar de verhalen die zijn vader, slaaf vroeger, hem gedaan had, was hij zijn leven lang wrokig tegen blanken en niemand kon hem bijbrengen dat de blanken van nu zo niet meer waren.
'Zo is het, niet?' placht hij dan te antwoorden, 'Zo is het, niet? Och, sinds mijn moeder mij ter wereld bracht, weet ik dat varkens alleen varkens krijgen kunnen.'
'Oom', begon Dofie weer, 'waarom bent u boos op mij? Wij zijn allemaal Coronianen samen. Als wij beginnen te wrokkn, voordat wij er erg in hebben, zal de Commissaris ons aandeel nemen en maken daar een draaitrap van. Kom, Oom, kom! Kom zelf en lees welk presentje de Commissaris-en-zij ons gestuurd hebben! Wij tellen niet meer mee!'
Het mocht Oom Safrie nog denken hoe hij van de wagen gestapt was en de weg overgestoken. Het volk maakte ruimte voor hem en het was doodstil toen hij het oog wierp op het papier met het regeringsstempel.
Toen.... wat hij las werd hem te machtig. Allerlei gedachten raasden hem raad door het hoofd. Het was niets anders of zijn hoofd vol spinnenwebben zat. Alle verhalen die zijn vader hem verteld had kreeg hij weer voor zich, zijn huis, zijn vee in het land, de onbegaanbare bossen met hun lianen, slangen en wilde zwijnen; de Coronianen naast hem, het leek wel of zij aangroeiden in grootte en aantal en allemaal leken het hoofd te buigen alsof een zware last haar op de schouders lag. Zijn oog verduisterde zoals wanneer men droomt. Toen begon zijn hart met tromgeroffel te bonzen en hij kreeg de zijmuur van zijn kamer voor zich met het dubelloops geweer!
Stom, zonder een woord te zeggen, draaide hij zich om en rende naar zijn wagen, sprong erop en sloeg aan de leidsels. Achter zijn rug hoorde hij Dofie zijn stem: 'Och, Oom, och hé! U zegt maar niets, maar die ogen van u zijn wapens gelijk!'
Een jaar was voorbijgegaan. De valse stadsman was al lang afgereisd. Geen mens in heel Coronie kon zijn gezicht nog helder voor zich krijgen. Maar ook bij de kleinste onder hen leefde de herinnering aan de strijd, de scheldpartijen en het onrecht die zes maanden lang Coronie in beroering gebracht hadden. De ouderen schudden hoofden en waren innerlijk bedroefd. Tot de nacht uit zaten zij voor het huis pijp te roken. Dan vertelden ze elkaar: hoe hun kinderen hen vroegen de grond te verdelen omdat zij hun aandeel verkopen wilden; hoe zij hen weggestuurd hadden, hen toegeschreeuwd hadden met die onzin op te houden.
De stadsman rijdt rond met zijn auto en is de mensen lastig met de dingen die hij vraagt. De rotsmous! Hij hitst de jongeren op, maakt dat die omkatten de ouderen een wijze mond geven. Hij verblind hen de ogen met gouden, alleen maar dat hij de grond kopen kan! Zo klaagden zij.
Oom Safrie was puur razend en wachtte zich af in zijn huis. En zie daar, het is niet te geloven, op een middag daar houdt zijn auto voor Oom Safrie zijn tuin, hij toetert en komt ronduit het erf op. Oom Safrie had hem al in de gaten toen hij zijn wagen stil staan liet, omdat hij in de keuken op het erf met zijn kokosnoten aan het raspen was. 'Kom maar heren, jij duivel', dacht hij bij zichzelf, 'kom maar!'
De stadsman had een zijden overhemd aan en een stoffen broek met wijde pijpen. In zijn hand, die schitterde van gouden ringen, had hij een paardenzweep. Op het hoofd een panamahoej met een brede schaduw. Aan één kant sloeg hij onder het lopen met de zweep tegen zijn schenen. Hij kwam recht op Oom Safrie af: 'Goedemiddag, meneer Wimpel', zei hij, want zo stond Oom Safrie eigenlijk te boek. 'Goedemiddag! Ik wil u graag even spreken! U weet, dat....'
Maar meer kon hij niet zeggen, omdat Oom Safrie achter de bank in zijn volle breedte overeind rees. 'Ik weet het, jawel!' riep hij, 'ik weet zelfs nog meer! Al was ik blind, dan nog kon ik de ruzie en het geschreeuw horen die jij in ons land brengt. Lang heb ik erover nagedacht wat jij wilde. Waarom heb je de stad verlaten om ons leven in de puinhoop te gooien? Waarom kwam je om onze kinderen te leren hun ouders te versmaden. Nou, nu ik je voor mij heb, nu weet ik het! Die ogen van jou, rood als de asema, die verraden mij alle kronkels die jij in je hersenkas hebt! Jij wilt onze grond kopen, hè, de grond waar al het bloed van onze vaders nog in zit. Houd toch op, kerel! Dacht je misschien dat wij onze voorvaderen vergeten zijn, zoals jij, stadsmannetje, die op het laagst gezonken bent?'
Wat langer hij praatte, wat bozer hij zich maakte. De appels van zijn ogen flikkerden van gramschap. Zijn aderen zwollen op, alsof ze onmiddellijk door zijn zwarte vel heen zouden springen.
De brij is op het heetst als ze opgeschept wordt, maar nu was ze waar-waar heet.
'Antwoord mij!' vervolgde hij, 'geef antwoord! Wanneer jij de grond koopt dan vliegen al onze jongens naar stad. Wie zal dan vlees eten, en wie zal stenen eten? Kijk hoe groot Suriname is; kijk hoeveel bossen er zijn die jullie kappen kunnen. Waarom juist is het Coronie dat jullie hebben moeten? Zien jullie de Coronianen soms niet voor vol aan? Nou, jullie zullen bedrogen uitkomen; want al die dieven die jullie zijn en die hier een voet zetten willen, zullen voor hun leven vechten moeten. En het zal voor jou de baas zijn dat je gauw opmiettert, anders zal ik je laten zien hoe men gezouten vlees maakt! Jij duivel!'
Na die dag waren er in Coronie veel voorgevallen, maar Oom Safrie was geen woord vergeten van wat hij gezegd had. Het herinnerde hem nog zeer, hoe het hele dorp bij hem aangeren kwam om te horen wat er bij hem te zien was. Zo had hij zijn stem uitgezet. Wat later, toen de stadsman afgedrost was, was zijn boosheid gezakt en hij had zijn rasp weer opgenomen om zijn werk te bevorderen.
'Mooi zo, Oom! Dat noem ik pas iemand te plekke zetten!' had een van de buurlieden gezegd. Hij had geglimlacht, was toen op zijn bank gaan zitten en had de pijp aangestoken. 'Denk eraan, kinderen', had hij gezegd, 'denk eraan! Als men een slang opwaarmt in zijn huis, op een dag zal het een aboma worden! Het zal een aboma worden!'
Al die dingen kwamen bij Oom Safrie weer boven toen de vrouw tegen hem zei dat Joewan weggaan zou. Joewan, waar hij zo mee op had. Waar die met zijn ouders net weg gekomen was wilde hij af zijn. Maar het was hem niet uit de zin hoe Joewan een hummeltje was dat naar de lagere school ging, toen zijn ouders zich in Novar naar wennen zetten. Hij placht hem in de slaap te kussen, onder het huis, als de avondschemering viel; dan zong hij alle slaapliedjes die hij nog wist dat zijn vader als klein kind voor hem zong. En hij mocht er graag over, de zachte kinderhand op zijn gezicht te voelen als hij zong van 'Pappies boot is lek, pappie gaat niet weg', of van 'Engelen houden de wacht als de kinderen slapen zullen'. Al die liedjes die hij zoveel jaren in het geheugen opgesloten had voor de tijd dat hij zelf kinderen hebben zou.
Nu ging Joewan weg. Nu juist, nu men hem juist zo nodig had om bij te springen in de strijd die zij strijden moesten tegen droogte, hitte, ziekte en dood.
Meer mensen, mannen en vrouwen, renden hem voorbij op de dam, met de witte zondagse kleren aan. Oom Safrie zei wat terug tegen degenen die hem groetten. Hij keek haar een voor een aan als zij hem voorbijgingen, omdat hij van haar gezicht aflezen wilde wat ze dachten. Maar zij hielden haar gezicht zo, dat hij met de beste wil hun gedachten niet raden kon.
Sera, zijn broers kind, was bij hen. Zij was achttien jaar, maar zorgen hadden haar trekken zo verschrompeld, dat men haar op vijfentwintig hebben zou. Tweemaal in haar korte leven had ze een miskraam gehad en Oom Safrie wist hoe dat haar aangegrepen had en hoe zij daarover mijmerden.
Hij hield haar aan toen zij voorbijging en zij hadden even gepraat. 'Ik ga naar kerk toe', zei Sera. 'In Salem zullen wij de knie buigen voor onze God om hem dank te zeggen voor alle goeds dat Hij ons doet!'
Oom Safrie keek haar met schuwe ogen aan. Hij was in de war en klakte minachtend met de lippen, maar hij wist dat hij Sera ermee op het zeer komen zou. En hij wilde haar niet tenaderen. Hij wist hoeveel moeilijkheden zij in haar leven meedragen moest. Dat hij zei alleen: 'Sera, meisje. Als je te weten komt wie ons al dit leed aandoet, dank hem dan ook voor mij.'
Sera keek hem bedroefd aan. 'Oom', zei zij terwijl zij de stap weer zette, 'God heeft ons lief! Hij geeft ons het goede dat wij blij wezen kunnen; Hij geeft ons het kwade dat wij stark wezen kunnen. De Heer is waarlijk goed! Dag Oom!'
Oom Safrie stond haar na te kijken hoe zij weggging in het duister van de avond. Toen keerde hij zich om, keek naar de drie mensen, die de hele tijd zwijgend achter hem stonden. 'Doe Joewan de groeten van mij. Bedank hem voor mij!'
En voordat iemand een woord bedenken kon, speelde hij de wijk. Hij rende bij de kokospalmen langs die de familie Kamron hun tuin afscheiden van de zijne; zijn huis ging hij voorbij totdat hij de hoofdweg kreeg, die dwars door Coronie heen loopt.
De klokken van de Salemkerk bim-bamden, bim-bamden. Gods schapen gingen op om Gods woord te horen. Enkele verlate mensen maakten haast om nog naar Salem te gaan. Vrouwen sleepten kinderen achter haar aan. Hun schoenen joegen het stof van de weg op alsof het rook was. Een oud vrouwtje strompelde met haar verwoede voeten hem voorbij. Onder het lopen prevelde zij in zichzelf zonder een van die haar voorbij haastten te zien. 'Nu ben ik weer te laat. En ik heb alle punten in het werk gezet om bijtijds te wezen. Heer, de klokken houden al op! Och, nu begint dominee al te preken!'
Het bim-bim-bam van de klokken liet het haar liggen en zij begon harder te lopen, blij toe dat zij nog niet te laat was.
Oom Safrie rende naast haar; duizenden gedachten maalden hem door het hoofd als spinnenwebben. Hij dacht aan Joewan, al wat die bij hem geleerd had, dat hij hem beduidd had hoe hij rijst planten moest, hoe hij kokosnoten schiften moest en olie zieden, hoe hij bergschuren bouwen moest, bedden aanleggen moest om groente te kweken; hij had hem meegenomen op de jacht, hem fuiken uitzetten geleerd in de visvijvers. Hij had hem verhalen verteld over de voorouders, die in slavernij zuchtten hadden en had hem hard opgelegd nooit te vergeten dat hun grond hen een gemak geven zou, zolang zij hun voorouders eerbied gaven.
Dan weer dacht hij aan de droogte, het beetje rijst dat zij nog in het huis hadden en waar zij zich in bekropen om wellicht niet helemaal voorbij te hoeven. Innerlijk maakte hij zich boos op Sera, die geen korrel rijst over had, maar die toch geloofde na alles dat zij doormaakt had dat God voor haar zorgde. God, waar men uit benaudheid het zweet van kreeg.
Als iemand hem gevraagd had waarom hij niet naar huis toe ging, maar achter dat oude vrouwtje aan rende, dan had hij het niet zeggen kunnen. Hij wilde niet horen wat zij vertelde met haar kinderlijke stem, maar toch iedere keer als ze begon te praten, spande hij zich in luisteren.
'Ei, vriend', begon de vrouw ineens weer, 'God moet dank hebben, omdat ik nog niet te laat ben. Nu kan ik ook komen en buig het hoofd voor U; o, U moet horen hoe de ongelovigen op U schelden om de droogte die U ons geeft! Vergeef hen, Heer, want zij weten niet, och, dat ze de lucht in spuwen en dat het enkel op hun eigen gezicht terug vallen moet. Het is lang geleden dat mijn moeder mij baarde; daarom weet ik dat wij mensen ranke schuitjes maken kunnen, maar schepen, U alleen, o Hemelheid, kunt ze bouwen. Soms kunnen wij ons niet begrijpen wat U wilt. Als wij bedenken de werken die U doet, maakt het ons blij. Dan weer brengt het ons aan het schreien toe, och! Alleen domme hoogmoed laat ons denken dat wij Groten zijn. Want al hun brutaliteit kan geen druppel water regenen laten, als U niet wilt!'
Zij smakte minachtend met de lippen toen zij tot zwijgen kwam. De klokken lieten weer en een zachte wind bracht haar boodschap over in heel Coronie.
Oom Safrie zweefde. De dingen die de vrouw zei, hadden hem uit zijn centrum gebracht. Als de vrouw tegen hem gepraat had, zou hij weten hebben te antwoorden. Maar nu rende hij maar achter haar aan, en peinsde, zijn lippen droog, zijn hoofd duizelig als een wespennest.
Zo stond hij voor de kerk van Salem, toen de oude erin schoffelde.
Hoe lang hij daar stond wist Oom Safrie niet. Hij dacht na, kon het niet kwijt worden en hij hoorde de schorre stemmen van zijn landslieden, die zongen hoe groot Gods genade was....
Toen werd plotseling de witte kerk rood. De kokosnoten begonnen te lijken op rode reuzeknikkerts, die hingen in de zwarte oksels van de bomen. De blauwe wolkjes met witte schuimranden kregen rode puisten op en het kerkdak leek een duivelskam.
Oom Safrie werd kil, hij draaide zich om en oogde de rijstvelden over naar daar waar de parwabossen van Salem rood waren als onwetend grote fabrieken en het vuur voort vrat de kant van Novar op.
Nu was het genoeg! Al die maanden had de gordel hem strak om de buik gezeten, nu moest die losgemaakt worden. Hij gaf een schreeuw! De donkere weg versmoorde zijn stem.
Zweet en tranen mengden zich op zijn gelaat.
'Het wordt mijn dood!' riep hij weer. 'Houd op, God! Wat wilt U? Wat wilt U met ons, negers? Is het omdat wij geen hand hebben om een vuist te maken dat U met ons doet wat U wilt? In de strijd van onze voorouders met de dieven, koos U de kant van die blanken. U stond hen toe om de huizen in vlam te zetten en hen weg te voeren met de ketting om de nek. De hele wereld kan getuigen hoe zij als ongedierte stierven. Wie bent U? U bent toch geen bloedzuiger? Eens moet U verzadigd wezen als Uw buik vol is met ons bloed! Waarom schiep U onze voorvaderen als er hun hele leven geen dag was dat zij ademhalen konden zonder vrezen, zonder slavenkettingen? Mijn God en Heer! Kom! Kom nader! Ik en U alleen zijn hier op deze donkere weg. Ik hoor vrouwen bidden, dat zij leven willen; ik wil helemaal niet leven! Ik wil alleen maar weten waarom al die dingen gebeuren moeten. U kunt mij doden als U vergramd bent, maar laat mij eerst weten wat U met ons wilt! Smartplekken uit de slaventijd verotteren ons het hart, maar toch straft U ons! Wij vragen U niet meer dan een korrel zout om op de tong te liggen, dat er geen maden komen in ons binnenste, maar nog lacht U ons uit! Och, houd op! Kijk, kijk dan! Waar wij ons ook keren, is er vuur, armoede en zweet! Slangen die het vuur niet doven kunnen dat U in onze bossen aangestoken heeft, komen en kronkelen de weg op waar wij lopen moeten. Zij komen om een schuilplaats te zoeken in onze galerijen waar onze kinderen spelen. Mieren krielen overal en vreten de paar vruchten op die U vergeten! Och, mijn God! Er is mij geleerd dat U alles gemaakt heeft, wit en zwart, groot en klein, goed en kwaad. Maar waarom maakte U meer kwaad als goed voor ons? Nu gaat Joewan weg! Joewan die ik opbracht als mijn bloedeigen kind. U bent het! U drijft hem uit Coronie weg door het hondenleven dat U ons geeft. U weet hoe ik van hem houd! U weet dat mijn leven wrak worden zal zonder hem. Als ik er geen goed aan deed, hem te leren alles op te zetten bij de grond en de aanplant, zeg het mij! Wat had ik doen moeten? Ik voel dat ik mijn plicht deed. En de dag dat U, mijn God, ook vergramd wezen zult omdat wij onze voorouders niet verachten willen, - die dag kunt U ons allemaal levend verbranden als wij op de knieën zitten in de modder!'
Met de mond vol tranen stond hij en wachtte om te luisteren hoe Gods stem hem antwoorden zou uit de donkere nacht.
Maar alles zweeg....
Toen zette in de kerk een vrouw een lied in, lang en hoog als een geluid dat diep uit haar binnenste opsteeg: 'Heer, als ik moe ben, zal ik mij neerleggen....!'
Oom Safrie boog het hoofd en rende terug naar Novar. 'Misschien', dacht hij, 'misschien zal Joewan weer tot zichzelf komen. Misschien zal hij toch niet weggaan!'
Een auto kwam voorbij. Naast de chauffeur, stijf als een zwart beeld, kon hij Joewan zien zitten....
* Geschreven met ondersteuning van AI en aangepast door Adek Next
