Suriname herlezen met Vlier (1863)

M.L.E. Vlier · Amsterdam, 1863

Thematische hoofdstukindeling met paginaverwijzingen naar de originele tekst
Paginanummers verwijzen naar de DBNL-editie (218 blz.): Beknopte geschiedenis der kolonie Suriname 1863) – M.L.E. Vlier.

Toelichting bij deze indeling:

Maria Vlier deelde haar boek in naar gouverneurs en bestuurders. Daardoor staat de rijke geschiedenis van Suriname — de Indianen, de slavernij, de Marronoorlogen, de Joodse gemeenschap, de groei van Paramaribo — versnipperd over tientallen persoonshoofdstukken.

Deze indeling herordent de tekst naar thema, zodat de lezer elk onderwerp als samenhangend geheel kan volgen. De chronologische volgorde is behouden. Paginanummers verwijzen naar de originele tekst.

Bijzondere aandacht verdient Vliers morele stem. Zij was geen neutrale kroniekschrijver: zij veroordeelde de slavenhandel expliciet als ‘menschonteerend’, beschreef Marronleiders als mensen van karakter, prees bestuurders die menselijker optraden en bekritiseerde openlijk mishandeling van slaven. Dit perspectief — dat in de gouverneurshoofdstukken verstopt zit — krijgt in deze indeling een eigen hoofdstuk.

Hoofdstuk I — Land en volk vóór de Europese kolonisatie

Periode: vóór 1630 · Blz. 5–6

§ 1.1 Geografische ligging en naam van Suriname (blz. 5–6)

  • Grenzen: de rivieren Marowyne (oost) en Corantyn (west), de Atlantische Oceaan (noord) en de oerwouden (zuid).
  • Omvang: 2.800 geografische vierkante mijlen, waarvan slechts 700 bekend en toegankelijk.
  • Naam: vermoedelijk afgeleid van de Indiaanse stam der Surinen — maar Vlier noteert uitdrukkelijk dat dit slechts een gissing is.

§ 1.2 De Indiaanse bevolking: stammen, levenswijze en onderlinge verhoudingen (blz. 6–7)

  • Verschillende Indiaanse stammen als enige bewoners vóór de Europese komst; nakomelingen wonen ten tijde van Vlier nog ‘in ons midden’.
  • Zwervende levenswijze: jacht en visserij; weinig vaste landbouw.
  • Onderlinge vijandschap en stamoorlogen; oorlogsgevangenen werden door de Indianen zelf tot slaaf gemaakt.
  • Reactie op de eerste Europeanen: aanvankelijk tolerantie en samenwerking, later wisselend.

Hoofdstuk II — De eerste Europese vestigingen

Periode: 1630–1683 · Blz. 6–17

§ 2.1 Engelse vestiging en tabakscultuur (blz. 6–8)

  • 1630: Kapitein Marechal vestigt zich met zestig man aan de Parakreek; eerste geregelde Europese nederzetting.
  • Tabaksteelt als begin van de koloniale landbouw; oevers van Para als eerste bebouwde gronden.
  • 1640: Poncet de Bretigny legt de grondslag van Paramaribo en bouwt het latere fort Zeelandia.
  • 1644: Portugees-Joodse kolonisten uit Brazilië vestigen zich; zij verkrijgen godsdienstvrijheid, vrijstelling van tienden en eigen rechtspraak. Zowel Joodse als Engelse kolonisten bezitten al vroeg slaven.

§ 2.2 De Indianen als bondgenoten en getuigen (blz. 9–11)

  • 1650: Lord Parham verwerft bij verdrag met de Indianen het gebied tussen Marowyne en Saramacca.
  • Indianen aanvankelijk welwillend; later ingezet als bondgenoten bij militaire acties.
  • Europeanen nemen Indiaanse kennis van het land over.

§ 2.3 Strijd om bezit: Zeeuwen, Vrede van Breda en eerste slaven (blz. 11–17)

  • 1667: Zeeuwse aanval onder Crynsen; fort hernoemd tot Zeelandia. Vrede van Breda: Suriname Zeeuws, in ruil voor Nieuw-Amsterdam.
  • 1672: Eigendomsrecht gaat over op de Algemeene Staten.
  • Alle arbeid aanvankelijk door Europeanen verricht — onder zware omstandigheden. Begin van de invoer van Afrikaanse slaven.
“Alle arbeid werd destijds, mijne lieve kinderen, door Europeanen verrigt, — en onder welke omstandigheden!” — blz. 17

Hoofdstuk III — Opbouw van de plantagekolonie: stad, recht en slavernij

Periode: 1683–1712 · Blz. 17–32

§ 3.1 Van Sommelsdyck en de stadsplanning van Paramaribo (blz. 17–21)

  • 1683: Oprichting van de Geoctroijeerde Societeit van Suriname; Van Sommelsdyck als eerste gouverneur.
  • Paramaribo bij aankomst: circa dertig huizen, meest kroegen, gedekt met palmloof. Van Sommelsdyck legt brede straten aan, verhoogt de kade en voorziet de stad van waterleidingen.
  • Aanleg Jodensavanne (1682); instelling Raad van Policie en Justitie en Weeskamer (1684).
  • Vredesverdragen met Caraïben, Waroes, Arowakken og Condie-Negers (1684).

§ 3.2 Slavenwetgeving: brandmerken, vluchten en verordeningen (blz. 19–22)

  • Van Sommelsdyck: bij elke tien slaven één blanke of vrije persoon verplicht aanwezig.
  • Weglopers worden met een gloeiend ijzer op de arm gebrandmerkt — om eigendom aan te duiden en clandestiene invoer te voorkomen.
“Dat afschuwelijk brandmerken, waarvoor uw jeugdig hart zonder twijfel gruwt, mijne vrienden! is later, bij meerdere beschaving en vooral bij [...]” — blz. 22
Vlier benoemt het brandmerken onomwonden als ‘afschuwelijk’ — een moreel oordeel dat in de tekst over het hoofd te zien is als men alleen de gouverneurshandelingen volgt.

§ 3.3 Mishandeling van slaven als oorzaak van marronage (blz. 48–49)

Onder gouverneur Mauricius beschrijft Vlier de toestand die hij aantrof:

“De schandelijkste mishandelingen, de afschuwelijkste gruwelen tegen de arme Afrikanen vonden toen plaats, dat dan ook gedurig de ontvlugting van hen ten gevolge had.” — blz. 49
Vlier legt hier een direct oorzakelijk verband: slecht bestuur en mishandeling drijven slaven naar de bossen. Marronage is in haar ogen geen onverklaarbaar kwaad, maar een begrijpelijke reactie.

§ 3.4 Vroege Marrondaden en de aanval van Cassard (blz. 26–35)

  • 1690: Eerste grote aanval van weglopers op plantages.
  • 1701–1702: Ernstige plunderingen; planter Van der Kamp op zijn plantage vermoord.
“De planters vonden echter in den afschuwelijken menschen- of slavenhandel eenige schadeloosstelling voor hunne verliezen, door den aankoop van andere slaven.” — blz. 32
  • 1712: Cassard valt aan; de kolonie koopt zich vrij met een grote brandschatting.

§ 3.5 Economische basis: suiker, koffie en de Jodensavanne (blz. 29–37)

  • Suiker als hoofdgewas; 1720: eerste koffie; 1728: eerste cacao.
  • Wisselhandel en schuldproblemen: wisselbrieven voor de Societeit kwamen onbetaald terug.
  • Jodensavanne: bloeiende gemeenschap met eigen synagoge, rechtsorde en plantages.

Hoofdstuk IV — Escalatie van de Marronoorlog

Periode: 1728–1762 · Blz. 38–65

§ 4.1 Toenemende aanvallen en eerste militaire campagnes (blz. 38–45)

  • 1726–1730: Plunderingen van plantages Kinderback en Berg en Dal. Loyale slaven verdedigen hun meester.
  • December 1733: Eerste overeenkomst tussen Societeit en Marrons — eerste vredespoging.
  • Militaire expedities mislukken: de Marrons zijn in de bossen vrijwel ongrijpbaar.

§ 4.2 De behandeling van slaven: verzet en dagelijks leven (blz. 40–42, 55)

  • Slaven die gedwongen worden overgeplaatst, verzetten zich gewelddadig; directeur worden de handen afgehakt (blz. 60–61).
  • Gouverneur De Spörcke verbiedt slaven langs de straat te laten werken voor weekgeld — een maatregel ten gunste van de slaven (blz. 55–56).
  • Kinderpokken (1764) treffen de slavenbevolking zwaar; putten op straat als eenvoudige maatregel.

§ 4.3 Eerste vredesverdragen met de Marrons (blz. 52–56, 61)

  • Onderhandelingen met Marronhoofd Adoe mislukken door wantrouwen.
  • 1749: Wapenstilstand; oprichting kas tegen de weglopers.
  • 1760: Vrede te Auca met de Aucaners. 1762: Vrede met de Saramaccaners.
  • De vredesverdragen erkennen de Marrons als vrije gemeenschappen met recht op eigen dorpen.

§ 4.4 Economische gevolgen van de oorlog (blz. 54, 62–63)

  • Dubbel lastgeld op schepen; 1763–1764: kaartengeld uitgegeven (f 400.000) wegens geldschaarste.
  • Planters lenen toch kapitaal om prachtige huizen op de plantages te bouwen.
  • Grote sterfte onder de slavenbevolking door de kinderziekte van 1805: Vlier beschrijft dit als een ‘geduchte slag’ voor de landbouw (blz. 99).

Hoofdstuk V — De grote Marronoorlog: Bonni, Baron en het Cordon

Periode: 1765–1778 · Blz. 65–72

§ 5.1 Baron: het levensverhaal van een Marronleider (blz. 67–68)

Vlier wijdt een opmerkelijk portret aan Marronleider Baron, dat ver uitgaat boven de gebruikelijke kroniek:

“Er bestaat omtrent het Opperhoofd dezer Marrons Baron genaamd, eene zeer belangrijke aanteekening.” — blz. 68
  • In juni 1772 plundert Baron de plantage Poelwijk. Hij stuurt de blanke officier Muller weg met de woorden:
“Wat u betreft, gij kunt u verwijderen en uwe huid in veiligheid brengen, want gij zijt nog te kort in de kolonie om ons, slaven, te kunnen mishandelen.” — Baron, geciteerd door Vlier, blz. 68

Vlier commentarieert:

“Dit was toch een zeer edele trek, en overtuigt ons, dat de muiters het voornemen niet hadden, om alle vrije personen, welke zij aantroffen, om het leven te brengen, maar slechts degenen, van wie zij of hunne makkers mishandelingen ondergaan hadden.” — blz. 68

Dan volgt Barons biografie: als kind onderwijs gekregen in lezen en schrijven; meegenomen naar Holland; teruggekeerd en verkocht. Zijn nieuwe meester behandelde hem slecht en liet hem voor een kleine overtreding zwaar straffen.

“Ontsnapte Baron, en werd, door wraakzucht gedreven, in weinig tijds een van de grootste Opperhoofden der Marrons.” — blz. 68
Vlier legt de verantwoordelijkheid voor Barons geweld nadrukkelijk bij het systeem: mishandeling maakt rebellen.

§ 5.2 Bonni: edel van karakter (blz. 77–78)

Ook Bonni krijgt van Vlier een genuanceerd portret. Na jaren van strijd valt hij in 1789 plantage Clarenbeek aan en neemt de directeur Merle gevangen:

“Men vreesde voor het leven van Merle, doch Bonni was edel van karakter. Hij behandelde den gevangenen blanke met goedheid en bood aan, hem tegen een’ losprijs vrij te laten.” — blz. 78
Vlier benoemt Bonnis karakter expliciet als ‘edel’ — een kwalificatie die in scherp contrast staat met de koloniale opvatting van Marrons als criminelen. Ook hier: het geweld van de Marrons wordt verklaard, niet simpelweg veroordeeld.

§ 5.3 Fourgeoud, Stoelman en het Cordon (blz. 68–72)

  • 1773–1778: Grote militaire campagnes van Fourgeoud en Stoelman; dorpen verbrand, akkers vernield.
  • 1772: Corps Zwarte Jagers opgericht; vrije voormalige slaven als soldaten. Na de strijd weigeren some plantage-eigenaren hen terug te laten. Het bestuur grijpt in.
  • 1774: Aanleg van het Cordon — een reeks verbonden posten van de Boven-Suriname tot de Boven-Commewyne.
  • 1776: Bonni vlucht over de Marowyne. 1778: Fourgeoud vertrekt; de expedities hebben de Marrons verzwakt maar niet vernietigd.
  • Kwassie, een neger die zich onderscheidt door moed en kennis van geneeskruiden, maakt het Kwassiebitter bekend (blz. 68–69).

§ 5.4 Zending onder Indianen en slaven: de Moravische Broeders (blz. 50–51)

  • 1739: Eerste Moravische Broeders vestigen zich in de stad.
  • Na jaren van ontberingen en mishandelingen slagen zij erin gemeenten te stichten onder Indiaanse stammen.
  • 1748: Eerste gedoopte Indiaanse vrouw. 1776: Eerste gedoopte negerslaaf.
“Welke ruwe bejegeningen hebben die zelfverloochenende zielen niet moeten verduren! Doch zij hebben zich daaraan niet gestoord.” — blz. 51

Hoofdstuk VI — Culturele bloei, stedelijke groei en het einde van Bonni

Periode: 1778–1799 · Blz. 72–87

§ 6.1 Slavenkinderen mogen niet van hun moeders gescheiden worden (blz. 74–75)

Gouverneur Texier (1779–1783) vaardigt een opmerkelijke beschermende maatregel uit:

“Ditzelfde jaar verbood deze Gouverneur ten sterkste, om de slavenkinderen van hunne moeders te scheiden en afzonderlijk te verkoopen.” — blz. 75

Vlier geeft dit expliciete commentaar:

“Gij ziet dus, lieve kinderen, dat Texier, door deze bepaling, eene groote mate van menschlievendheid aan den dag legde.” — blz. 75

Ook Beeldsnijder Matroos (1783): ‘Het mishandelen der ongelukkige slaven ging hij uit al zijne magt tegen’ (blz. 76). Vlier prijst bestuurders die ingrijpen als daad van beschaving.

§ 6.2 Paramaribo groeit: drukkerij, krant en genootschappen (blz. 74–77)

  • 1772: Drukkerij opgericht door Beeldsnijder Matroos. 1774: Eerste wekelijkse krant (10 augustus).
  • 1782: Collegium Medicum opgericht; Hortus Surinamensis aangelegd.
  • 1783: Genootschap voor natuurlijke historie (Texier, P.F. Roos e.a.). Dichter Roos bouwt tuinhuis.
  • 1783: Letterkundig genootschap Docendo Docemur opgericht door Israëlieten.

§ 6.3 Joodse gemeenschap: eeuwfeest synagoge (blz. 76–77)

  • 1785: Eeuwfeest van de stichting van de synagoge op de Jodensavanne; grote viering.
  • Joodse burgers spelen actieve rol in cultureel en economisch leven; eigen genootschappen.

§ 6.4 Het definitieve einde van Bonni en de Marronstrijd (blz. 78–80, 84–85)

  • 1789: Bonni overwonnen na aanval op zijn stelling aan de Marowyne. 1793: Bonni en Cormantyn Codjo vermoord door de Aucaner Bambi — einde van een tijdperk.
  • Voormalige Marrons vestigen zich langs de Saramacca; gouverneur Friderici ondersteunt hen met grond.

Hoofdstuk VII — Suriname onder Brits bestuur en de afschaffing van de slavenhandel

Periode: 1799–1816 · Blz. 87–115

§ 7.1 Capitulatie og Brits bestuur (blz. 87–96)

  • 1796: Capitulatie; Suriname onder Brits protectoraat.
  • 1804: Engelsen landen; de kolonie overgegeven aan de Britse zeemacht.
  • Gouverneurs Green, Hughes, Wardlaw en Bentinck achtereenvolgens.
  • Handel met Engeland en Noord-Amerika opengesteld; economisch herstel.

§ 7.2 De slavenhandel: beperking, afschaffing en illegale voortzetting (blz. 97–101, 122–134)

  • 1805: Wet beperkt de slavenhandel (Hughes); maximaal 987 slaven ingevoerd in 1806, 467 in 1807.
  • 1807: Formele afschaffing van de slavenhandel door Engeland.
  • Desondanks worden jaarlijks grote aantallen Afrikanen clandestien ingevoerd.
“In weerwil van dezen maatregel, beweert men, dat er jaarlijks een groot aantal Afrikanen, ter sluik, werd ingevoerd.” — blz. 101
  • 1818: Traktaat Nederland–Engeland tot bestrijding van de slavenhandel. Vlier noemt de handel:
“Om dien menschonteerenden handel zooveel mogelijk tegen te gaan [...]” — blz. 123
  • 1823: Brik La Légère aangehouden met gesmokkelde slaven; 269 Afrikanen vrijverklaard (blz. 133–134).
Vlier maakt consequent duidelijk: de formele afschaffing loste het probleem niet op. De illegale handel ging decennia door, en de slachtoffers — de gesmokkelde Afrikanen — bleven aanwezig in haar verhaal.

§ 7.3 Sterfte onder de slavenbevolking (blz. 99)

In 1805 treft een zware kinderziekte de kolonie:

“Reeds was Suriname, in den aanvang van het jaar 1805, door de vreesselijke kinderziekte bezocht, die eene groote sterfte onder de slaven-bevolking had te weeg gebragt.” — blz. 99
Vlier plaatst de epidemie direct naast de beperking van de slavenimport: het economische verlies voor de planters is haar context, maar de beschrijving van de sterfte — ‘vreesselijk’, ‘geduchte slag’ — bevat de menselijke maat die de administratieve taal mist.

§ 7.4 Teruggave aan Nederland (blz. 113–119)

  • 1814: Vredesverdrag; Suriname wordt teruggegeven aan Nederland.
  • 27 februari 1816: Van Panhuys neemt het bestuur over.

Hoofdstuk VIII — Nederlands herstel: wederopbouw, slavernijdebat en crises

Periode: 1816–1845 · Blz. 119–165

§ 8.1 Onderwijs, kerken en genootschappen (blz. 121–123, 142)

  • 1816: Nieuwe schoolwetten; middelbaar en lager onderwijs.
  • Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (1817); Maatschappij tot Bevordering van Godsdienstig Onderwijs (1828).
  • 1826: Hernhuttersche kerk. 1835: Hervormde kerk ingewijd; eerste steen Hoogduitse Synagoge.
  • 1837: Hoogduitse Synagoge ingewijd.

§ 8.2 Branden en wederopbouw van Paramaribo (blz. 126–129, 147)

  • 1821: Grote brand vernietigt bijna de hele stad. Onmiddellijke wederopbouw; ook Bijdragen van burgers beschreven.
  • Tegelijk: slavenopstand in Nickerie (1821). 1832: Nieuwe brand; brandstichters terechtgesteld (1833).

§ 8.3 De rechtspositie van slaven en daden van menschlievendheid (blz. 135–136, 158–159, 162)

  • Verordeningen beperken openbare handelingen ten aanzien van slaven.
  • Vlier beschrijft de zaak van Fredrik Bijderhand: een slaaf die levens redde bij een waterongeval, daarvoor een medaille en f 50 ontving — maar vrij zou zijn gebleven mocht hij zelf het geld voor zijn vrijkoop betalen. De procureur-generaal regelt dit:
“Op het tijdstip toen Bijderhand deze edele daad had verrigt, was hij slaaf, doch had aanspraak op den vrijdom, zonder echter dien te kunnen verkrijgen, daar hij geene middelen bezat [...]” — blz. 159
  • Een gouverneur weigert plantage-eigenaren extra rechten over slaven en maakt zijn bezwaar kenbaar aan het ministerie:
“[...] van zijne belangstelling in deze volkplanting en van zijne menschlievendheid de blijken droegen.” — blz. 162

§ 8.4 Economische crisis: West-Indische Bank en plantersschulden (blz. 130–133, 143–145)

  • 1822: Wisselkoersregeling Surinaams–Nederlands geld.
  • 1829: West-Indische Bank opgericht; aanvankelijk succesvol, daarna problemen.
  • Agio-crisis (1840–1842); strafbepalingen op waardevermindering bankpapier.
  • Kolonie diep in de schulden; landscassen uitgeput.

§ 8.5 Koninklijk bezoek en bestuurlijke hervormingen (blz. 139–142)

  • 1828: Commissaris Van den Bosch; nieuw regeringsreglement.
  • 1835: Bezoek van Z.K.H. Prins Willem Frederik Hendrik; de eerste steen van de Hoogduitse Synagoge gelegd.

Hoofdstuk IX — Kolonisatie, emancipatie en de aanloop tot afschaffing

Periode: 1843–1862 · Blz. 165–206

§ 9.1 Europese kolonisatieproeven en Chinese immigratie (blz. 169–185, 191–193)

  • 1843: Eerste kolonisten met dominee Betting; ernstige ziekte en sterfte, hongersnood en bosbrand.
  • Van Raders laat een kanaal graven van de Surinamerivier naar de Saramacca; feestelijk begonnen (1846), gestopt, definitief gestaakt (1859).
  • 1858: Eerste Chinese immigranten als contractarbeiders — begin van een nieuwe arbeidsmigratie.

§ 9.2 Zending en gezondheidszorg onder de bosvolkeren (blz. 186–190)

  • Koepok-inenting onder bosvolkeren: aanvankelijk wantrouwen, overwonnen door de arts die zijn eigen inentingsteken toont.
  • Argument dat de inenting werkt als hun slangen-inenting: brug tussen twee kennissystemen.
  • Mettray jeugdinstelling op Lustrijk (1856).

§ 9.3 Nieuwe verdragen met de Marrons (blz. 186, 199–200)

  • 1855: Nieuwe traktaten met de bevredigde Boschnegers.
  • 1860: Verdragen met Aucaners en Bonninegers; de Bonninegers bevrijd van de Aucaner heerschappij.
  • Grensgeschil met Frankrijk over de Tappanahony en de Marowyne.

§ 9.4 De afschaffing van de slavernij (blz. 196–197, 205–206)

  • Gouverneur Van Lansberge (1859–1861) treedt aan onder grote onzekerheid over de hervorming van de slavenbevolking.
  • Commissaris Metman arriveert in 1860 voor invoering van nieuwe wetgeving.
  • 1862 (naschrift Vlier): Wet tot opheffing van de slavernij aangenomen en afgekondigd.
“Zo hebben godsdienst en menschelijkheid over het vooroordeel gezegepraald; zoo is, voor het land onzer inwoning, eene toekomst geopend, die stoffelijk en zedelijk, de schoonste vruchten kan opleveren.” — blz. 206 — slotzin van het boek

§ 9.5 Paramaribo in 1861: een stedelijk beeld (blz. 195)

  • Regelmatige, schone straten; fraaie kerken die op elke rustdag door slaven met geestdrift bezocht worden.
  • Koloniale bibliotheek (1857); Loge-gebouw in de Saramaccastraat (1861).
  • Dr. Landré: pogingen tot georganiseerde gezondheidszorg (1856–1857).
“Vlier eindigt met een aansporing aan de jeugd: ‘Moge de lezing daarvan niet slechts uwe kennis vermeerderen, maar vooral uwe liefde voor ons dierbaar Vaderland opwekken!’” — blz. 204

Hoofdstuk X — De morele stem van de schrijfster

Verspreid door het hele boek · Zie paginaverwijzingen per paragraaf

Dit hoofdstuk brengt samen wat Vlier door het hele boek verspreid heeft neergeschreven: haar eigen oordeel. Zij was geen neutrale kroniekschrijver. Wie haar tekst thematisch leest, ziet een schrijfster die de slavernij principieel veroordeelt, Marronleiders menselijkheid toedicht, bestuurders beoordeelt op hun behandeling van slaven en haar jeugdige lezers — kinderen in Suriname — voortdurend aanspreekt op hun morele geweten.

§ 10.1 De slavenhandel als ‘menschonteerend’ (blz. 32, 97, 123)

Op drie plaatsen noemt Vlier de slavenhandel bij naam met een moreel oordeel:

“De planters vonden echter in den afschuwelijken menschen- of slavenhandel eenige schadeloosstelling voor hunne verliezen.” — blz. 32
“Om dien menschonteerenden handel zooveel mogelijk tegen te gaan [...]” — blz. 123

Zij laat ook geen twijfel over de schijnheiligheid van de officieel afgeschafte maar illegaal voortgezette handel (blz. 100–101, 132–134).

§ 10.2 Mishandeling als oorzaak van opstand (blz. 22, 48–49, 67–68)

Vlier legt consequent een verband tussen mishandeling en marronage. Het is geen willekeur dat slaven vluchten: het is een reactie op een onrechtvaardig systeem.

“De schandelijkste mishandelingen, de afschuwelijkste gruwelen tegen de arme Afrikanen vonden toen plaats, dat dan ook gedurig de ontvlugting van hen ten gevolge had.” — blz. 49

Ook het brandmerken van weglopers benoemt zij onomwonden als ‘afschuwelijk’ (blz. 22) — in een tijd dat dit als gewone bestuursmaatregel gold.

§ 10.3 Marronleiders als mensen van karakter (blz. 67–68, 77–78)

Zowel Baron als Bonni worden door Vlier niet enkel als rebellen neergezet. Zij beschrijft hen als mensen met eigen motieven en een eigen waardenstelsel.

  • Baron spaart de officier die te kort in de kolonie is om slaven te hebben mishandeld — zijn geweld is gericht en rechtvaardig in zijn eigen logica. Vlier noemt dit ‘een zeer edele trek’.
  • Bonni behandelt zijn gevangene directeur met goedheid. Vlier: ‘Bonni was edel van karakter’.
  • Vlier geeft Barons biografie: kind, onderwezen, meegenomen naar Holland, verkocht, mishandeld, bestraft. Geen abstracte rebel, maar een mens met een geschiedenis.

§ 10.4 Lof voor bestuurders die menselijker optraden (blz. 55–56, 74–76, 162)

Vlier prijst bestuurders die de slavernij menselijker maakten als daad van beschaving:

  • De Spörcke verbiedt slaven langs de straat voor weekgeld te laten werken zonder bekende bron van inkomsten (blz. 55).
  • Texier verbiedt het scheiden van slavenkinderen van hun moeders: Vlier noemt dit ‘eene groote mate van menschlievendheid’ (blz. 75).
  • Beeldsnijder Matroos gaat het mishandelen van slaven uit alle macht tegen (blz. 76).
  • Een gouverneur weigert plantage-eigenaren extra controlemacht over slaven; Vlier kwalificeert dit als blijk van ‘menschlievendheid’ (blz. 162).

§ 10.5 De slaaf als moreel subject: Frederik Bijderhand (blz. 158–159)

De meest expliciete erkenning van slavenmensenwaardigheid staat in het verhaal van de slaaf Fredrik Bijderhand, die levens redde bij een waterongeval en daarvoor een medaille ontving. Hij had recht op vrijkoop maar kon de rechten niet betalen. De procureur-generaal regelt de vrijlating gratis.

“Op het tijdstip toen Bijderhand deze edele daad had verrigt, was hij slaaf.” — blz. 159
Vlier laat zien: edelheid is geen eigenschap van stand. Een slaaf kan ‘edel’ zijn. Het systeem dat hem slaaf houdt, is dat niet.

§ 10.6 De emancipatie als bevrijding: het slotwoord (blz. 205–206)

Het naschrift — toegevoegd terwijl het boek al ter perse lag — is Vliers meest expliciete politieke statement. De wet tot afschaffing van de slavernij is aangenomen. Zij schrijft:

“Zo hebben godsdienst en menschelijkheid over het vooroordeel gezegepraald; zoo is, voor het land onzer inwoning, eene toekomst geopend, die stoffelijk en zedelijk, de schoonste vruchten kan opleveren. Daartoe schenke de Hemelsche Vader zijnen onmisbaren zegen!” — blz. 206
Het is de zin waarmee Vlier haar boek besluit — en die de hele morele architectuur van haar kroniek samenvat: slavernij was een vooroordeel. Het is overwonnen. Nu kan Suriname bloeien.